ECLI:NL:CRVB:2020:2299
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering
Appellant, voormalig fulltime timmerman, kreeg een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2017 stelde het UWV vast dat appellant 41,84% arbeidsongeschikt was, maar de uitkering bleef ongewijzigd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV en later door de rechtbank werd afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat de medische rapporten van de arts en verzekeringsarts zorgvuldig en consistent waren en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld. De Raad onderschrijft dit oordeel en merkt op dat appellant geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd die aanleiding geven tot een ander oordeel.
Appellant stelde dat zijn beperkingen werden onderschat en verwees naar fysieke en psychische klachten, alsmede sociale problemen. De Raad stelt echter dat het beoordelingskader voor WIA-uitkeringen verschilt van dat voor Wmo-voorzieningen en dat de toekenning van Wmo-voorzieningen niet betekent dat de arbeidsongeschiktheid hoger moet worden vastgesteld.
De Raad concludeert dat de geselecteerde functies passend zijn bij de belastbaarheid van appellant zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 17 november 2017 en bevestigt het bestreden besluit.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid van appellant juist is vastgesteld en wijzigt het WIA-uitkeringsbesluit niet.