ECLI:NL:CRVB:2020:2294
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering chroom-6 op grond van Regeling Defensie
Appellant, voormalig burgerambtenaar bij Defensie, vroeg een uitkering aan op grond van de Regeling uitkering chroom-6 Defensie vanwege blootstelling aan chroom-6 en het lijden aan vitiligo, een immunologische aandoening. De aanvraag werd afgewezen omdat zijn aandoening niet voorkomt op de lijst van bijlage 2 van de Regeling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de staatssecretaris zich redelijkerwijs mocht baseren op het onderzoek van het RIVM, dat onvoldoende bewijs vond voor een oorzakelijk verband tussen chroom-6 en andere irreversibele ziekten dan de in de regeling genoemde allergieën en longziekten. Appellant voerde aan dat hij wel een tegemoetkoming had ontvangen op grond van de Coulanceregeling en dat het RIVM-onderzoek niet onafhankelijk zou zijn, maar deze bezwaren werden verworpen.
In hoger beroep bevestigde de Raad de eerdere overwegingen en wees het beroep af. De Raad benadrukte dat de hardheidsclausule niet van toepassing is omdat onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing geen onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Het standpunt van een internist-immunoloog dat er mogelijk toch een verband is, kon de Raad niet overtuigen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvraag voor een uitkering op grond van de Regeling uitkering chroom-6 Defensie.