ECLI:NL:CRVB:2020:2288

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 september 2020
Publicatiedatum
25 september 2020
Zaaknummer
19/2412 WIA-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellant ontving sinds 2009 een loongerelateerde WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling op verzoek van de werkgever heeft het UWV in 2017 de uitkering beëindigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen.

In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen en dat de beperkingen uit 2009 onveranderd moesten blijven. Hij vroeg ook om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de beroepsgronden afdoende en gemotiveerd heeft besproken en onderschrijft deze.

De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van een MRI-scan uit 2018 extra beperkingen aannam en de verschillen met de beperkingen uit 2009 inzichtelijk en voldoende motiveerde. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling of een onafhankelijke deskundige te benoemen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

19.2412 WIA-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2019, 17/3728 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 september 2020
PROCESVERLOOP
Zitting heeft: M. Schoneveld
Griffier: I.A. Siskina
Ter zitting zijn verschenen: mr. B.C.F. Kramer, gemachtigde van appellant, en mr. Z. Seyban, gemachtigde van het Uwv.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1.
Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 24 april 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100. Deze uitkering is met ingang van 24 juli 2010 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.
1.2.
Na een herbeoordeling op verzoek van de werkgever heeft het Uwv bij besluit van 9 januari 2017, gehandhaafd bij besluit van 17 mei 2017 (bestreden besluit), de WIA-uitkering van appellant met ingang van 10 maart 2017 beëindigd, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd en daarbij bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Hoewel het Uwv hangende het beroep meer beperkingen heeft aangenomen en een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage heeft vastgesteld (22,39%), blijft dit percentage beneden de 35%. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn aanvullende rapporten van 29 mei 2018 en
6 september 2018 voldoende heeft gemotiveerd en inzichtelijk heeft gemaakt dat de beperkingen van appellant in de in beroep gewijzigde FML van 29 mei 2018 correct zijn vastgesteld. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat op de datum in geding nog wel sprake was van een radiculaire prikkeling, wil dat niet zeggen dat daarom dezelfde beperkingen gelden als vastgesteld in de FML van 2009. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat alle beschikbare medische informatie bij de medische beoordeling is betrokken. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. Uitgaande van de juistheid van de FML van 29 mei 2018, heeft de rechtbank geoordeeld dat de geduide functies voor appellant geschikt moeten worden geacht.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij niet in staat is bestendige arbeid te verrichten en dat het Uwv bij de medische beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen. Hij meent dat er weldegelijk aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, omdat sprake is van inconsistenties. Daarbij heeft hij met name gewezen op de geringe beperkingen op zitten, staan en torderen, terwijl bij hem evident sprake is van een hernia. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat alle in 2009 aangenomen beperkingen onveranderd moeten worden opgenomen in de huidige FML, waaronder de urenbeperking. Subsidiair heeft appellant de Raad verzocht om een deskundige te benoemen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Wat appellant heeft aangevoerd betreft in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot het door appellant bepleite resultaat. De onder 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.2.
Naar aanleiding van de door appellant in beroep ingebrachte MRI-scan van 26 maart 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep extra beperkingen aangenomen. De vertaling naar beperkingen in de FML van 29 mei 2018 en de verschillen met de in de FML van 2009 vastgestelde beperkingen zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en afdoende gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat bij het primaire lichamelijk onderzoek rondom de datum in geding geen ernstige bewegingsbeperkingen meer zijn vastgesteld, dat het rugonderzoek van de neuroloog geen uitvalsverschijnselen meer beschrijft en geen links-rechtsverschillen in reflexen. Ten aanzien van de andere geclaimde beperkingen, waaronder die in persoonlijk en sociaal functioneren en de urenbeperking, heeft de rechtbank eveneens terecht overwogen dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Er bestaat daarom geen aanleiding om een onafhankelijk medisch deskundige te benoemen.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) I.A. Siskina (getekend) M. Schoneveld