ECLI:NL:CRVB:2020:2235
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden verblijfplaatswijziging
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na sluiting van de woning op dat adres in verband met de Opiumwet, meldde appellant niet dat hij elders verbleef. Het college blokkeerde de bijstand en vorderde de ontvangen bedragen terug wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college onzorgvuldig handelde door hem pas laat te informeren en onvoldoende gelegenheid te geven bewijs te leveren van zijn verblijf bij een vriendin. De Raad oordeelde dat het college niet eerder op de hoogte kon zijn, dat de brief naar het laatst bekende adres was gestuurd en dat appellant voldoende gelegenheid had gekregen om bewijs te leveren.
Appellant stelde dat hij de werkcoach mondeling had geïnformeerd over zijn situatie, maar dit werd niet bevestigd door de werkcoach. De verklaring van een vriendin over verblijf bij haar was onvoldoende concreet en strookte niet met eerdere mededelingen van appellant. Ook waren geen dringende redenen aannemelijk gemaakt om af te zien van terugvordering.
De Raad concludeerde dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld door het niet melden van de verblijfplaatswijziging en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet melden van verblijfplaatswijziging.