ECLI:NL:CRVB:2020:2214
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing Nederlandse sociale zekerheidswetgeving bij werkzaamheden in Nederland en België
Betrokkene was in dienst van een Belgische werkgever en verrichtte werkzaamheden in zowel Nederland als België. De kern van het geschil betrof de toepasselijkheid van de sociale zekerheidswetgeving op betrokkene over de periode 2012 tot en met 2015.
De rechtbank had vastgesteld dat betrokkene in 2012 en 2013 niet aannemelijk had gemaakt dat hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte, mede vanwege het ontbreken van agenda's en concrete gegevens. Over 2014 en 2015 was dit wel het geval, met betrokkene die ongeveer 62% van zijn tijd in Nederland werkte.
Appellante betwistte deze bevindingen, stellende dat betrokkene vooral in België werkte en dat de stukken eenzijdig waren. Betrokkene voerde aan dat hij gedurende de gehele periode substantieel in Nederland werkte. De Raad volgde echter de rechtbank en oordeelde dat alleen voor de periode vanaf 1 januari 2014 tot 30 september 2015 de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is.
De Raad benadrukte dat de objectieve situatie bepalend is en niet de instemming van betrokkene of werkgever. De authenticiteit van de agenda's werd niet betwist, en de bewijslast lag bij betrokkene. De onzekerheid over de jaren 2012 en 2013 kwam voor zijn risico. Het hoger beroep en incidenteel hoger beroep werden verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Nederlandse sociale zekerheidswetgeving is alleen van toepassing op betrokkene over de periode 1 januari 2014 tot en met 30 september 2015.