ECLI:NL:CRVB:2020:2211
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en afwijzing Wajong-uitkering op grond van AAW
Appellant, geboren in 1976, diende na 2010 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering. De beoordeling van zijn aanspraken vond plaats aan de hand van de destijds geldende AAW-regels. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant op achttienjarige leeftijd ten minste het minimumloon kon verdienen, hetgeen betekent dat er geen sprake was van verlies aan verdiencapaciteit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. De verzekeringsartsen concludeerden dat appellant op zeventien- en achttienjarige leeftijd niet meer beperkt was dan vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De verslavingsproblematiek die speelde rond zijn achttiende jaar was voldoende meegenomen in deze beoordeling. De PTSS, ontstaan na 2002, was niet relevant voor de beoordeling van zijn situatie op die leeftijd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanaf zijn zestiende ernstig verslaafd was en daardoor niet kon werken of zijn school kon afmaken. Hij ondersteunde dit met verklaringen van zorgverleners. De Raad oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende inzicht boden in de aard en ernst van zijn beperkingen in de relevante periode. De beperkingen zoals vastgesteld in de FML waren juist en het UWV handelde terecht door de Wajong-aanvraag af te wijzen.
Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid op zeventien- en achttienjarige leeftijd.