ECLI:NL:CRVB:2020:2175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellante was werkzaam als verzorgende en meldde zich in 2006 ziek met rugklachten. Het UWV weigerde in 2008 een WIA-uitkering toe te kennen vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. In 2016 meldde appellante verslechterde klachten, maar het UWV stelde in 2017 vast dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de eerste beoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de toegenomen klachten niet voortkwamen uit dezelfde ziekteoorzaak.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische klachten niet nieuw waren en voortkwamen uit pijnklachten uit 2006, en dat haar beperkingen in ernst waren toegenomen. Het UWV stelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de klachten niet leidden tot een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.
De Raad oordeelde dat de bewijslast rust op degene die stelt dat er geen causaal verband is en dat het UWV voldoende had onderbouwd dat de toename van klachten niet uit dezelfde ziekteoorzaak voortkomt. De psychische klachten en het chronisch pijnsyndroom waren niet te herleiden tot de in 2008 vastgestelde rugproblematiek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.