ECLI:NL:CRVB:2020:2172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-ouderdomspensioen wegens onvoldoende bewijs van verzekering
Appellant, geboren in 1953, verzocht om toekenning van een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), met de stelling dat hij tussen 1979 en 1986 in Nederland had gewoond en gewerkt in de landbouw.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde dit pensioen toe te kennen omdat niet was gebleken dat appellant verzekerd was geweest voor de AOW. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze beslissing na onderzoek en oordeelde dat niet aannemelijk was dat appellant ten minste één kalenderjaar verzekerd was geweest.
In hoger beroep stelde appellant hetzelfde zonder nieuwe bewijsstukken te overleggen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de verstrekte gegevens onvoldoende zijn om verzekering aan te tonen.
De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het AOW-ouderdomspensioen wegens onvoldoende bewijs van verzekering.