ECLI:NL:CRVB:2020:2167
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellante, laatst werkzaam als woonbegeleidster, meldde zich in 2005 ziek met rugklachten. Na eerdere weigeringen van een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, werd zij per 1 november 2013 volledig arbeidsongeschikt geacht en kreeg een WGA-uitkering toegekend. Na een herbeoordeling in 2015 werd haar WIA-uitkering beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
In 2016 meldde appellante zich met toegenomen klachten, maar het UWV weigerde opnieuw een WIA-uitkering toe te kennen omdat de beperkingen niet waren toegenomen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische rapporten van het UWV overtuigend waren en dat de medische informatie van appellante geen aanleiding gaf tot een ander oordeel.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt over verslechterde gezondheid en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde echter dat het medisch oordeel van het UWV niet ter discussie stond en dat er geen aanwijzingen waren voor toegenomen beperkingen. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.