Uitspraak
18 5968 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van 20 fysiotherapiebehandelingen na een knieoperatie. Het college wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als voorliggende voorziening geldt en er geen acute noodsituatie was die bijzondere bijstand rechtvaardigt.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het ontbreken van aanvullende verzekering niet betekent dat er geen voorliggende voorziening is. Appellante stelde in hoger beroep dat er geen passende voorliggende voorziening is, dat uitblijven van behandeling blijvend letsel kan veroorzaken en dat zij mocht vertrouwen op vergoeding.
De Raad oordeelt dat appellante geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die de eerdere gemotiveerde uitspraak ondermijnen. Er is geen medische onderbouwing voor een acute noodsituatie overgelegd. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor fysiotherapiekosten wordt bevestigd wegens het bestaan van een voorliggende voorziening en het ontbreken van een acute noodsituatie.