ECLI:NL:CRVB:2020:2077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 54,98% in WIA-procedure
Appellant, voormalig klusjesman, meldde zich ziek met rugklachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering van het UWV op basis van een arbeidsongeschiktheid van 46,17%. Na opname wegens infarcten en een herseninfarct vond een herbeoordeling plaats, waarna de arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 54,98%. Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat de verzekeringsarts onvoldoende expertise had om zijn psychische beperkingen te beoordelen en dat er geen informatie was ingewonnen bij zijn behandelend psycholoog.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV terecht was uitgegaan van het rapport van de verzekeringsarts en dat de psychische klachten op de datum in geding niet relevant waren voor de mate van arbeidsongeschiktheid. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel. Het medisch onderzoek was uitgevoerd volgens algemeen geaccepteerde methoden, inclusief dossieronderzoek, anamnese en observerend onderzoek tijdens een hoorzitting.
De Raad oordeelde dat er geen aanwijzingen waren dat appellant op de datum in geding onder behandeling stond van een psycholoog, waardoor het niet onredelijk was dat het UWV geen informatie bij een psycholoog had ingewonnen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 54,98% arbeidsongeschiktheid door het UWV.