ECLI:NL:CRVB:2020:2075
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was sinds 2011 arbeidsongeschikt en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering die in 2017 overging in een WGA-vervolguitkering. Na een herbeoordeling stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en beëindigde de uitkering. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar medische situatie verslechterd was en dat een urenbeperking noodzakelijk was.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van juni 2017 een juiste weergave gaf van haar beperkingen. Medische stukken over een later tijdstip konden geen wijziging in de beoordeling rechtvaardigen. De arbeidsdeskundige had passende functies geselecteerd die binnen haar mogelijkheden lagen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Er was geen aanwijzing dat aanvullende informatie had moeten worden opgevraagd en de medische beoordeling was zorgvuldig en goed gemotiveerd. Appellante erkende dat op de datum van beoordeling geen intensieve therapie plaatsvond en kon haar standpunt over een urenbeperking niet medisch onderbouwen.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het besluit tot beëindiging van de WGA-vervolguitkering. Tevens werd het verzoek tot vergoeding van schade afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-vervolguitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.