ECLI:NL:CRVB:2020:2052
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WGA-vervolguitkering bij arbeidsongeschiktheid van 45-55%
Appellant was werkzaam als specialistisch technisch medewerker en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35% vast, waarna appellant geen bezwaar maakte. Later werd een nieuwe aanvraag ingediend, waarna het UWV de arbeidsongeschiktheid op 45-55% vaststelde en een WGA-vervolguitkering toewees.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn psychische klachten onderschat waren en dat hij niet geschikt was voor de voorgehouden functies vanwege zijn psychische onstabiliteit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad vond geen aanleiding om het medisch oordeel van de artsen van het UWV te betwijfelen en volgde de motivatie van de arbeidsdeskundige dat de voorgehouden functies geschikt zijn voor appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WGA-vervolguitkering met een arbeidsongeschiktheid van 45-55% wordt bevestigd.