ECLI:NL:CRVB:2020:2024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgvuldig medisch onderzoek en juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid WIA
Appellant, voormalig stoffeerder, heeft zich ziek gemeld met fysieke klachten en ontving vanaf 2015 een WGA-uitkering. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast en verhoogde deze na herbeoordeling tot 61,20% per 1 juni 2017. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en voerde aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen, waaronder knie-, schouder- en armklachten, onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, gebaseerd op dossierstudie, anamnese, lichamelijk onderzoek en beschikbare medische informatie van diverse specialisten. De rechtbank verwierp de bezwaren van appellant, onder meer omdat geen nieuwe objectieve medische stukken waren overgelegd en de beperkingen passend waren vastgesteld.
In hoger beroep heeft appellant geen wezenlijk nieuwe gronden aangevoerd. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het UWV over voldoende informatie beschikte om tot een zorgvuldig oordeel te komen. De Raad bevestigt dat appellant medisch geschikt is voor de geselecteerde functies en dat de bezwaren over opleidingseisen niet slagen.
De Raad concludeert dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 61,20%.