ECLI:NL:CRVB:2020:1997
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig tegelzetter/stukadoor, kreeg aanvankelijk een WGA-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordelingen stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 27 januari 2018.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze beslissing, stellende dat zijn beperkingen werden onderschat en dat het medisch onderzoek onvoldoende was. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen reden was om het oordeel van het UWV in twijfel te trekken.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank, vond geen nieuwe medische informatie die het standpunt van appellant ondersteunde en zag geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige.
De Raad concludeerde dat appellant op de datum in geschil niet meer dan 35% arbeidsongeschikt was en bevestigde daarom het besluit van het UWV tot beëindiging van de WIA-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.