ECLI:NL:CRVB:2020:1983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als kasmedewerkster en meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat haar beperkingen onderschat zijn en bracht zij aanvullende medische stukken in. De Raad oordeelde echter dat deze stukken geen nieuwe informatie bevatten over haar gezondheidstoestand op de datum in geding en onvoldoende aanleiding geven om de eerdere conclusies te herzien.
De Raad volgde het oordeel dat de beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd medisch geschikt zijn. Ook is voldoende gemotiveerd dat haar taalbeheersing geen belemmering vormt. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.