ECLI:NL:CRVB:2020:1947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens voldoende verdiencapaciteit na eerste ziektejaar
Appellant, voormalig algemeen medewerker bij een coffeeshop, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Na een eerstejaars beoordeling concludeerde het UWV dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde de uitkering. Appellant maakte bezwaar en het UWV herzag het besluit, maar trok de uitkering later alsnog in.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) passend waren. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn rug- en psychische klachten waren verergerd en dat een urenbeperking ten onrechte was geweigerd, maar leverde geen nieuwe medische gegevens aan.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV, oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek adequaat was en dat de beperkingen en verdiencapaciteit juist waren vastgesteld. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de Ziektewet-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewet-uitkering terecht is beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.