Uitspraak
10 april 2019, 18/4708 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatst werkzaam als callcentermedewerkster, kreeg een WIA-uitkering toegekend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Het UWV herbeoordeelde haar arbeidsongeschiktheid in het kader van project Thassos en stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna de uitkering werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat zij niet bevoegd was om vast te stellen dat de beoordeling binnen project Thassos onterecht was, en dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar lichamelijke en psychische klachten en dat de beoordeling onjuist was, onder meer vanwege medische gegevens van een GZ-psycholoog.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat het UWV de beperkingen van appellante juist had vastgesteld en dat de medische gegevens van Pro Persona geen aanleiding gaven om de belastbaarheid anders te beoordelen. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd voldoende gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld en de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.