ECLI:NL:CRVB:2020:1928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens schending inlichtingenplicht bij WIA-uitkering
Appellant ontvangt sinds 18 juni 2012 een WIA-uitkering. Het UWV ontdekte via een Inspectie SZW-onderzoek dat appellant werkzaamheden verrichtte voor een zorgbureau en inkomsten genoot zonder dit te melden. Dit leidde tot intrekking van de uitkering en terugvordering van een bedrag van €170.841,89, later beperkt tot €38.007,86 voor de periode van 1 maart 2013 tot 30 november 2015.
Het UWV legde appellant een boete van €5.200,- op wegens schending van de inlichtingenplicht. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering, maar stelde vast dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden en bevestigde de hoogte van de boete.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet willens en wetens meer uitkering ontving en dat de boete te hoog was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de schending vaststaat, dat sprake is van gewone verwijtbaarheid en dat de maximale boete passend en evenredig is. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De boete van €5.200,- wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.