ECLI:NL:CRVB:2020:1927
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herroeping pensioenoverzicht op grond van gewijzigde AOW-wetgeving
Appellante, geboren in 1953, had bezwaar gemaakt tegen een pensioenoverzicht van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) waarin haar verzekerde periode voor de AOW was vastgesteld. Het bezwaar werd gegrond verklaard en het pensioenoverzicht herroepen, waarbij de verzekerde periode werd aangepast aan gewijzigde wetgeving die de aanvangsleeftijd van pensioenopbouw verhoogde van 15 jaar naar 16 jaar en 8 maanden, en de pensioengerechtigde leeftijd vaststelde op 66 jaar en 8 maanden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, onder meer omdat de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd niet onderdeel was van het bestreden besluit en omdat een mogelijke onevenredig zware last pas kan worden beoordeeld bij de daadwerkelijke aanvraag van het AOW-pensioen. Ook werd geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel niet slaagt gezien de gewijzigde wetgeving.
Appellante voerde aan dat de verhoging van de pensioenleeftijd een onevenredig zware last vormt, met name vanwege haar leeftijdscohort, maar de Raad verwierp dit standpunt. De Raad bevestigde eerdere jurisprudentie dat de vermelding van de toekomstige AOW-leeftijd in pensioenoverzichten informatief is en geen besluit met rechtsgevolg. De Raad concludeerde dat de gewijzigde vaststelling van de verzekerde periode geen schending oplevert van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en dat de verhoging van de pensioenleeftijd in het algemeen proportioneel is.
Het hoger beroep van appellante wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.