ECLI:NL:CRVB:2020:1914
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
De werkneemster, werkzaam als cateringmedewerkster, viel in maart 2015 uit en kreeg in februari 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Appellante betwistte de duurzaamheid van deze arbeidsongeschiktheid en vorderde een IVA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep had gemotiveerd dat er op de datum in geding nog een reëel perspectief op verbetering bestond door geplande knieoperaties en fysiotherapie.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, onder meer dat de medische behandeling niet binnen de aanbevolen termijn was uitgevoerd en dat psychische klachten niet aan de arbeidsongeschiktheid ten grondslag lagen. De Raad oordeelde dat de beoordeling van de verzekeringsarts op de datum in geding leidend is en dat de kans op herstel, mede door de geplande ingrepen, niet onjuist werd ingeschat.
De Raad verwierp het argument dat de kniebehandeling experimenteel was en bevestigde dat ook psychische klachten relevant zijn voor de beoordeling. De situatie verschilde van eerdere jurisprudentie waarin geen reëel perspectief op herstel bestond. De Raad concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van een IVA-uitkering en handhaving van de loongerelateerde WGA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid.