ECLI:NL:CRVB:2020:19
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als verkoopmedewerkster en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde haar ziekengelduitkering per 22 juli 2016. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar bekkenklachten onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de artsen van het UWV een volledig en juist beeld hadden van haar medische situatie op de datum in geding. De vermeende toegenomen bekken- en knieklachten werden toegeschreven aan een latere zwangerschap en waren niet relevant voor de beoordeling van het recht op ziekengeld op de datum in kwestie.
De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de functies die aan appellante waren voorgehouden medisch passend waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd.