ECLI:NL:CRVB:2020:1877
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor inrichtingskosten bij voorzienbare verhuizing
Appellante woonde sinds oktober 2016 bij haar broer zonder inschrijving in de BRP en ontving bijstand naar de kostendelersnorm met een zoektermijn om zelfstandige woonruimte te vinden. Vanaf januari 2018 huurde zij een zelfstandige woning en vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten, welke door het college werd afgewezen omdat de verhuizing voorzienbaar was en de kosten uit eigen middelen betaald moesten worden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij plotseling moest vertrekken en daardoor niet had kunnen sparen, en dat haar inkomen ontoereikend was. De Raad oordeelde dat de verhuizing niet onverwacht was, aangezien appellante vanaf begin 2017 op de hoogte was van de noodzaak tot verhuizing en voldoende tijd had om te sparen.
Ook was de kostendelersnorm bedoeld om kosten te delen en was er geen bewijs dat appellante geen uitkering ontving of extra kosten had die sparen onmogelijk maakten. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de bijzondere bijstand en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt bevestigd omdat de verhuizing voorzienbaar was en appellante had kunnen sparen.