ECLI:NL:CRVB:2020:1871
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling bevestigd
Appellante was werkzaam als verzorgende IG en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV stelde na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde haar ziekengelduitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst adequaat waren meegenomen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beschikbaarheid verminderd was vanwege een nog te starten GGZ-behandeling, maar dit werd verworpen omdat de behandeling pas na de datum in geding begon. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn en dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat appellante in staat is deze functies te vervullen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de beëindiging van de Ziektewetuitkering en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Ziektewetuitkering terecht heeft beëindigd.