ECLI:NL:CRVB:2020:1867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ZW-uitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich in 2012 ziek. Na beëindiging van zijn dienstverband in 2014 weigerde het UWV een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt voor enkele functies. In 2017 meldde appellant zich opnieuw ziek en vroeg ZW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij volgens een verzekeringsarts nog steeds geschikt was voor ten minste één van de eerder geselecteerde functies.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellant zijn beperkingen onvoldoende met medische stukken onderbouwde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen waren toegenomen en dat hij geen zittend werk kon verrichten, maar kon dit niet met nieuwe medische stukken aantonen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant geschikt is voor ten minste één functie uit de WIA-beoordeling, waardoor geen recht op ZW-uitkering bestaat. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de ZW-uitkering omdat appellant geschikt is voor minimaal één WIA-functie.