ECLI:NL:CRVB:2020:1860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid administratief medewerker
Appellante, voormalig magazijnmedewerker, meldde zich ziek wegens knieklachten en ontving aanvankelijk een WW-uitkering. Het UWV weigerde later een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt voor diverse functies, waaronder administratief medewerker.
Na een nieuwe ziekmelding en medisch onderzoek in 2018 stelde het UWV vast dat appellante arbeidsgeschikt was voor haar eigen werk en weigerde een Ziektewetuitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat haar klachten en medicijngebruik bekend waren en in de beoordeling waren meegenomen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar artrose was toegenomen, zij hulp nodig had via de Wmo, en dat medicatie bijwerkingen gaf die haar functioneren belemmerden. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en verzekeringsarts dat de beperkingen en medicijngebruik geen aanleiding gaven tot een ander oordeel over haar arbeidsongeschiktheid.
De arbeidsdeskundige concludeerde dat de functie van administratief medewerker geen traplopen vereist en dat appellante de functie met haar beperkingen kan vervullen. De Raad zag geen reden om het hoger beroep te volgen en bevestigde de eerdere uitspraak dat appellante geen Ziektewetuitkering toekomt.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen Ziektewetuitkering krijgt omdat zij geschikt is voor de functie van administratief medewerker.