ECLI:NL:CRVB:2020:1841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was administratief medewerkster en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de medische beoordeling zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellante dat zij meer beperkingen had, waaronder agorafobie, hoogtevrees, valangst en lichamelijke klachten, en overgelegd bewijs van behandelaars. De Raad oordeelde dat deze informatie grotendeels niet op de datum in geding betrekking had en dat de medische beoordeling voldoende gemotiveerd en zorgvuldig was. De beperkingen waren adequaat in de Functionele Mogelijkhedenlijst verwerkt.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellante niet meer dan 35% arbeidsongeschikt was en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV tot weigering van een WIA-uitkering bevestigd.