ECLI:NL:CRVB:2020:1834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WAO-uitkeringsbesluit na deskundigenonderzoek en aanpassing Functionele Mogelijkhedenlijst
Appellante is sinds 2002 arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt een WAO-uitkering die in 2015 werd herbeoordeeld. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was, maar herzag dit besluit na bezwaar en stelde de uitkering voort met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zowel de medische als arbeidskundige onderbouwing van het UWV als zorgvuldig en gemotiveerd werd beoordeeld. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij verdergaand beperkt was dan vastgesteld, onderbouwd met een rapport van een verzekeringsarts.
De Centrale Raad van Beroep liet een onafhankelijke deskundige rapporteren, die de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) enigszins aanpaste maar geen aanleiding zag voor een verdere urenbeperking. De deskundige concludeerde dat appellante maximaal 8 uur per dag en 40 uur per week belastbaar was, met extra beperkingen voor thuisstudie.
De Raad volgde de deskundige en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, en oordeelde dat het UWV het besluit terecht handhaafde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, en de aangevallen uitspraak werd bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot voortzetting van de WAO-uitkering met 15-25% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.