ECLI:NL:CRVB:2020:1820
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij herziening WGA-loonaanvullingsuitkering
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant inzake de herziening van zijn WGA-uitkering. Het Uwv had de uitkering gewijzigd naar een WGA-loonaanvullingsuitkering met een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat hij meer beperkt is dan aangenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verzoeker diende vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening in bij de Centrale Raad van Beroep. Hij stelde dat hij financieel niet kan rondkomen van zijn loonaanvullingsuitkering, mede door gezondheidsklachten die zijn resterende verdiencapaciteit beperken. Ter onderbouwing overhandigde hij betaalspecificaties.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake is van een financieel spoedeisend belang. De inkomsten van verzoeker, inclusief loonaanvullingsuitkering en arbeid, bedragen ongeveer € 1.250 tot € 1.300 netto per maand. De angst voor schulden bij mogelijke inkomensachteruitgang is onvoldoende voor een voorlopige voorziening. Ook is niet aannemelijk dat het gezamenlijke inkomen van verzoeker en zijn partner onder het sociaal minimum ligt.
Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond en wordt het zonder zitting afgewezen. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een financieel spoedeisend belang.