ECLI:NL:CRVB:2020:1787
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na medische beoordeling
Appellante was laatstelijk werkzaam als medewerker slagerij en ontving sinds 2012 een WIA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid, welke in 2015 werd omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Het UWV besloot in 2017 de uitkering te beëindigen omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het onderzoek zorgvuldig was en de medische beperkingen niet zodanig waren dat zij de voorgehouden functies niet kon verrichten. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar fibromyalgie onvoldoende in de functionele mogelijkhedenlijst was meegenomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat de beëindiging van de WIA-uitkering gerechtvaardigd is. De Raad sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.