ECLI:NL:CRVB:2020:1783
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling mate arbeidsongeschiktheid WIA op 73,43%
Appellant, laatstelijk werkzaam als revisiecoördinator, meldde zich ziek vanwege gezondheidsproblemen en ontving een WGA-uitkering op basis van 66,57% arbeidsongeschiktheid. Na een toename van zijn klachten werd de arbeidsongeschiktheid door het UWV verhoogd naar 73,43%, wat appellant betwistte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de medische rapportages de vastgestelde beperkingen bevestigden. Ook de geselecteerde functies voor de berekening van de arbeidsongeschiktheid bleken medisch passend.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen groter zijn dan vastgesteld, onder meer door ME/CVS, verhoogd vitamine D-gehalte en medicijngebruik (Tramadol). Het UWV en de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerden echter dat de beperkingen adequaat waren meegenomen en dat de nieuwe medische gegevens geen aanleiding gaven tot wijziging.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV, bevestigde dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld en dat het medicijngebruik geen invloed had op de geschiktheid voor de geduide functies. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is terecht vastgesteld op 73,43% en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.