ECLI:NL:CRVB:2020:1779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening aanvraag zorg op grond van de Wet langdurige zorg
Verzoekster diende op 15 maart 2019 een aanvraag in bij het CIZ voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg, vanwege niet aangeboren hersenletsel na een hartstilstand in 2017. Het CIZ wees de aanvraag op 21 mei 2019 af en verklaarde het bezwaar hiertegen op 17 februari 2020 ongegrond, omdat onvoldoende medische informatie beschikbaar was om een blijvende noodzaak voor 24-uurs zorg vast te stellen.
De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekster tegen dit besluit ongegrond. Verzoekster stelde dat zij volledig afhankelijk is van haar echtgenoot en kinderen voor verzorging, maar dat deze situatie onhoudbaar is omdat zij ook moeten werken en studeren. Daarom verzocht zij om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen spoedeisend belang is, mede omdat verzoekster geen stappen had ondernomen om zorg via de Zorgverzekeringswet of ondersteuning via de Wet maatschappelijke ondersteuning te verkrijgen. Tevens bleek dat haar echtgenoot geen betaald werk verricht en niet verhinderd is om zorg te verlenen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.