Uitspraak
31 augustus 2019 betreft;
14 oktober 2019, 19/5319 en 19/5589 (aangevallen uitspraak), voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker, lijdend aan multiple sclerose, gebruikt medicinale cannabis ter bestrijding van pijn en ontving daarvoor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet. Na een aanvraag voor 130 gram per vier weken in 2018, kende het college bijzondere bijstand toe voor de periode 1 september 2018 tot 31 augustus 2019, met een beperking vanaf 1 april 2019 tot 60 gram per vier weken, vanwege een voorliggende voorziening onder de Zorgverzekeringswet.
De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Verzoeker ging in hoger beroep en vroeg om een voorlopige voorziening om ook na 31 augustus 2019 bijzondere bijstand te ontvangen voor 130 gram medicinale cannabis per vier weken, stellende dat beëindiging negatieve psychische gevolgen zou hebben.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzoek niet voldoet aan het materiële connexiteitsvereiste omdat het bestreden besluit alleen ziet op de periode tot 31 augustus 2019 en verzoeker geen aanvraag voor de periode daarna had ingediend. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk voor zover het ziet op de periode na 31 augustus 2019.
Voor de periode 1 april tot 31 augustus 2019 stelde de Raad vast dat er geen onverwijlde spoed is en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard voor bijzondere bijstand na 31 augustus 2019 en afgewezen voor de periode 1 april tot 31 augustus 2019.