Uitspraak
19.4392 PW
9 mei 2019, 18/5330 (aangevallen tussenuitspraak) en 13 september 2019, 18/5330 (aangevallen einduitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college onderzocht vanwege niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen op haar bankrekening. Het college besloot de bijstand over diverse maanden te herzien of in te trekken, omdat deze stortingen als inkomen werden aangemerkt en appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden.
De rechtbank oordeelde dat de stortingen en bijschrijvingen niet aannemelijk waren verantwoord door appellante, die stelde dat het contante bijdragen van haar inwonende dochter betrof. De Raad volgde de vaste rechtspraak dat dergelijke stortingen als inkomen worden beschouwd wanneer zij een terugkerend karakter hebben en voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud kunnen worden aangewend.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij de kostendelersnorm toepaste en dat de stortingen bijdragen waren van haar dochter, maar leverde geen objectief en verifieerbaar bewijs. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraken en oordeelde dat de intrekking en herziening van de bijstand terecht waren. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en herziening van bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen.