ECLI:NL:CRVB:2020:1718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing proceskostenvergoeding na herleving WIA-uitkering
Appellant had vanaf 30 december 2011 recht op een WIA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Op 6 februari 2018 stelde het UWV vast dat appellant niet had meegewerkt aan een klinische opname, waardoor zijn uitkering per 1 februari 2018 werd stopgezet. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd op 3 april 2018 ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat het UWV bij besluit van 4 oktober 2018 had bepaald dat de WIA-uitkering per datum stopzetting weer herleefde. Hierdoor had het vernietigen van het bestreden besluit geen feitelijke betekenis meer. Appellant maakte bezwaar tegen het niet toekennen van proceskostenvergoeding.
In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV onrechtmatig had gehandeld door niet het juiste onderzoek uit te voeren, waardoor hij zelf kosten moest maken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het primaire besluit niet onrechtmatig was herroepen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.
De uitspraak werd gedaan door S. Wijna namens de Centrale Raad van Beroep op 5 augustus 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd zonder toekenning van proceskostenvergoeding.