ECLI:NL:CRVB:2020:1699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van het besluit tot beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich in 2011 ziek met gynaecologische klachten. Na een loongerelateerde WGA-uitkering werd zij per 1 november 2017 door het UWV beoordeeld als minder dan 35% arbeidsongeschikt en verloor daarmee haar recht op een WIA-uitkering.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat haar beperkingen, met name door duizeligheidsklachten, onvoldoende waren meegenomen en dat haar situatie sinds 2013 was verslechterd. De rechtbank oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en juist was uitgevoerd en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De medische rapporten en de functionele mogelijkhedenlijst (FML) geven geen aanleiding tot een andere beoordeling. Ook de arbeidsdeskundigen hebben gemotiveerd dat appellante geschikt is voor de maatmanfunctie. De stelling dat de werkdruk is toegenomen is onvoldoende onderbouwd.
De Raad concludeert dat appellante terecht niet langer als arbeidsongeschikt wordt beschouwd en bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante per 1 november 2017 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.