ECLI:NL:CRVB:2020:165
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag zorg op grond van de Wet langdurige zorg wegens onvoldoende indicatie voor 24-uurszorg
Appellante heeft bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Deze aanvraag is op 2 maart 2018 afgewezen en dit besluit is gehandhaafd bij een besluit van 6 juli 2018. Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland, die het beroep ongegrond verklaarde.
De rechtbank oordeelde dat op basis van de medische adviezen van de medisch adviseurs van het CIZ niet is vastgesteld dat appellante recht heeft op permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid, zoals vereist in artikel 3.2.1 van de Wlz. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellante behandeld en geoordeeld dat het onderzoek van het CIZ voldoende zorgvuldig is geweest.
De Raad stelde vast dat de medisch adviseurs de beschikbare medische informatie hebben betrokken bij hun beoordeling en concludeerden dat sprake is van planbare hulp. Voor niet planbare momenten wordt appellante geacht zelf hulp te kunnen inroepen en af te wachten, waarbij niet aannemelijk is dat haar geheugenproblemen dit verhinderen. De verklaringen van de dochters van appellante waren onvoldoende om tot een ander oordeel te komen en appellante heeft de stelling dat de medisch adviseurs haar situatie onjuist hebben ingeschat niet met medische stukken onderbouwd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de zorgaanvraag op grond van de Wlz wordt bevestigd.