ECLI:NL:CRVB:2020:165

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2020
Publicatiedatum
24 januari 2020
Zaaknummer
19/891 WLZ-PV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.1 Wlz
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag zorg op grond van de Wet langdurige zorg wegens onvoldoende indicatie voor 24-uurszorg

Appellante heeft bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Deze aanvraag is op 2 maart 2018 afgewezen en dit besluit is gehandhaafd bij een besluit van 6 juli 2018. Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Midden-Nederland, die het beroep ongegrond verklaarde.

De rechtbank oordeelde dat op basis van de medische adviezen van de medisch adviseurs van het CIZ niet is vastgesteld dat appellante recht heeft op permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid, zoals vereist in artikel 3.2.1 van de Wlz. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellante behandeld en geoordeeld dat het onderzoek van het CIZ voldoende zorgvuldig is geweest.

De Raad stelde vast dat de medisch adviseurs de beschikbare medische informatie hebben betrokken bij hun beoordeling en concludeerden dat sprake is van planbare hulp. Voor niet planbare momenten wordt appellante geacht zelf hulp te kunnen inroepen en af te wachten, waarbij niet aannemelijk is dat haar geheugenproblemen dit verhinderen. De verklaringen van de dochters van appellante waren onvoldoende om tot een ander oordeel te komen en appellante heeft de stelling dat de medisch adviseurs haar situatie onjuist hebben ingeschat niet met medische stukken onderbouwd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de zorgaanvraag op grond van de Wlz wordt bevestigd.

Uitspraak

19.891 WLZ-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2019, 18/3153 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

Datum uitspraak: 8 januari 2020
Zitting heeft: W.J.A.M. van Brussel
Griffier: W.M. Swinkels
Ter zitting zijn verschenen: namens appellante is mr. J.E. Jalandoni, advocaat, verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. van Maris-Kindt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is ter zitting van 8 januari 2020 uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Bij besluit van 2 maart 2018, gehandhaafd bij besluit van 6 juli 2018 (bestreden besluit), heeft CIZ de aanvraag van appellante voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat CIZ zich op basis van de adviezen van de medisch adviseurs op het standpunt heeft mogen stellen dat appellante niet is aangewezen op permanent toezicht of 24‑uurszorg in de nabijheid. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wlz.
3. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad acht het onderzoek van CIZ voldoende zorgvuldig. De medisch adviseurs hebben kennis genomen van de beschikbare medische informatie en hebben deze informatie bij de beoordeling betrokken. Uit de medische adviezen blijkt dat sprake is van planbare hulp en dat appellante voor niet planbare hulpmomenten in staat wordt geacht om hulp in te roepen en af te wachten. Niet aannemelijk is dat de geheugenproblemen van appellante hieraan in de weg staan. De verklaringen van de dochters van appellante zijn onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Evenmin heeft appellante met medische stukken onderbouwd dat de medisch adviseurs haar situatie onjuist hebben ingeschat.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) W.M. Swinkels (getekend) W.J.A.M. van Brussel