Betrokkenen ontvingen sinds november 2011 bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de gemeente Enschede een onderzoek naar mogelijke handel met voertuigen die op naam van betrokkenen stonden geregistreerd. Uit het onderzoek bleek dat betrokkenen in de periode 2011-2016 meerdere voertuigen hadden overgedragen, waarvan zeven korter dan drie maanden op hun naam stonden.
Het college trok de bijstand in over diverse maanden en vorderde de kosten terug, omdat betrokkenen de handel niet hadden gemeld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, omdat onvoldoende feitelijke grondslag was voor de conclusie dat sprake was van handel.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college terecht aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkenen in zes maanden inkomsten hebben verworven of hadden kunnen verwerven met de overdracht van voertuigen die korter dan drie maanden op hun naam stonden. Betrokkenen hebben de inlichtingenplicht geschonden door deze transacties niet te melden. Daarom is de intrekking en terugvordering van bijstand over deze maanden terecht. Het beroep tegen het besluit is gegrond voor de overige maanden, waarvoor het college een nieuw besluit moet nemen.