ECLI:NL:CRVB:2020:1632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende verdiencapaciteit ondanks beperkingen
Appellant maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering door het UWV, omdat hij meende dat zijn beperkingen onderschat waren en de voor hem geduide functies niet geschikt waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde dat de aanwezige artrose en rugklachten geen aanleiding geven tot verdere beperkingen en dat de licht verstandelijke beperking van appellant niet tot meer beperkingen leidt, mede gezien zijn arbeidsverleden en maatschappelijke functioneren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeerde dat de geduide functies medisch geschikt zijn en dat appellant de vereiste werkroutine bezit.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze bevindingen en wijst het hoger beroep af. Er zijn geen nieuwe medische gegevens ingebracht die het standpunt van appellant ondersteunen. Het UWV heeft terecht de Ziektewetuitkering beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen in de geduide functies.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kan verdienen.