ECLI:NL:CRVB:2020:1631
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate arbeidsongeschiktheid WIA op 59,84% na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, laatstelijk werkzaam als schoonmaker en facilitair medewerker, viel in 2007 uit wegens schouder- en rugklachten. Het UWV kende hem een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, later omgezet in loonaanvullingsuitkering. Na een herbeoordeling in 2016 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast die vertaald werden in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis hiervan werd de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 59,84%.
Appellant voerde hoger beroep aan tegen deze vaststelling en stelde dat zijn beperkingen meer waren dan in de FML vermeld, onder meer vanwege pijnklachten, diabetes met nefropathie, hoge bloeddruk, eczeem, psychische klachten en medicatiegebruik. Hij betwistte ook de geschiktheid van de geselecteerde voorbeeldfuncties, mede vanwege zijn beperkte lees- en schrijfvaardigheden.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische stukken en aanvullende rapporten voldoende had beoordeeld. De Raad onderschreef dat de FML van 19 mei 2016 de beperkingen adequaat weerspiegelt en dat de geselecteerde voorbeeldfuncties passend zijn, mede gelet op de motivering van de arbeidsdeskundige. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is terecht vastgesteld op 59,84%.