ECLI:NL:CRVB:2020:1607
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellante, werkzaam geweest als medewerkster keuken/restaurant, meldde zich met psychische klachten ziek vanuit een werkloosheidssituatie. Het UWV weigerde haar vanaf het einde van de wachttijd een WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na een nieuwe ziekmelding met vermeende toegenomen klachten weigerde het UWV opnieuw een uitkering toe te kennen, omdat de belastbaarheid niet was gewijzigd ten opzichte van de eindewachttijdbeoordeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek zorgvuldig was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek niet zorgvuldig was omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet bij de hoorzitting aanwezig was en geen zelfstandig onderzoek had gedaan. Zij verzocht om inschakeling van een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek zorgvuldig was en dat het ontbreken van lichamelijk onderzoek en de afwezigheid van de verzekeringsarts bij de hoorzitting niet tot onzorgvuldigheid leiden. De FML van 16 december 2016 bleef het uitgangspunt en er waren geen inhoudelijke gronden voor toegenomen beperkingen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen.