ECLI:NL:CRVB:2020:1606
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als chauffeur-magazijnmedewerker en meldde zich ziek met rugklachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat de medische beperkingen juist waren ingeschat en dat zij geschikt was voor bepaalde functies.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar klachten uitgebreider waren, met name aan schouder en handen, en dat zij kort na de datum in geding een operatie had ondergaan. De Raad volgde deze argumenten niet, omdat de verzekeringsartsen deze klachten hadden meegewogen en de medische gegevens geen aanleiding gaven tot een andere beoordeling.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom de geselecteerde functies medisch geschikt waren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld op minder dan 35%. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.