ECLI:NL:CRVB:2020:1598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing voor verslechtering
Appellante was sinds 1998 arbeidsongeschikt als schoonmaakster en ontving aanvankelijk een WAO-uitkering met een hoge mate van arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordelingen werd de uitkering in 2009 ingetrokken en later in 2014 opnieuw toegekend met een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, die in 2014 weer werd beëindigd.
In 2017 meldde appellante een verslechtering van haar gezondheid per april 2017. Het UWV weigerde echter een nieuwe WAO-uitkering toe te kennen vanaf mei 2017, omdat volgens verzekeringsartsen onvoldoende medische basis was voor een wezenlijke verslechtering ten opzichte van 2014, ook al waren er meer beperkingen vastgesteld, onder andere psychisch.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad vond dat de verzekeringsartsen de brief van de psychiater Roose zorgvuldig hadden betrokken, maar dat er geen bewijs was voor ernstige symptomen zoals PTSS. De beoordeling dat appellante geschikt is voor de maatgevende arbeid blijft gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering per 12 mei 2017 wegens onvoldoende medische onderbouwing voor een wezenlijke verslechtering.