ECLI:NL:CRVB:2020:1544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen en geschiktheid van functies juist waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellante dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst onvoldoende rekening hielden met haar borderline-problematiek en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de medische rapporten geen aanleiding geven tot een andere beoordeling. De beperkingen op psychisch en lichamelijk gebied zijn adequaat meegenomen en de functies zijn passend.
Het hoger beroep wordt verworpen, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of rentevergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.