ECLI:NL:CRVB:2020:153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling Wajong-uitkering na herhaalde aanvraag en medische en arbeidskundige toetsing
Appellante diende in 2010 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen omdat zij meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen. Na een nieuwe aanvraag in 2014 en een inhoudelijk onderzoek in 2015, waarbij medische en arbeidskundige aspecten werden betrokken, wees het UWV het verzoek opnieuw af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde dat zij op haar 17e en 18e in staat was om minimaal 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen destijds waren onderschat en dat het besluit evident onredelijk was, verwijzend naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Centrale Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldig en volledig onderzoek had verricht, waarbij ook de in 2013 vastgestelde ADHD en borderline persoonlijkheidsstoornis waren betrokken. De medische beoordeling werd als juist beoordeeld, en er was geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.
De arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante met haar arbeidsverleden kon aantonen dat zij duurzaam minimaal 75% van het wettelijk minimumloon verdiende. Appellante kon haar stelling over frequent ziekteverzuim niet onderbouwen met bewijs. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om terug te komen op het eerdere besluit wordt afgewezen.