ECLI:NL:CRVB:2020:1503

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 juli 2020
Publicatiedatum
16 juli 2020
Zaaknummer
20/557 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep wegens ontbreken beroepsgronden en ondertekening

De Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Het ingediende beroepschrift voldeed echter niet aan de vereisten van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het geen beroepsgronden bevatte en niet was ondertekend.

De Centrale Raad van Beroep stelde het UWV bij brief van 6 februari 2020 en opnieuw bij aangetekende brief van 9 maart 2020 in de gelegenheid om deze gebreken binnen vier weken te herstellen. Het UWV liet deze termijnen ongebruikt voorbijgaan. Hierdoor was het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk.

De Raad besloot het hoger beroep zonder inhoudelijke behandeling af te wijzen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Van het UWV werd een griffierecht van €532,- geheven. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en ondertekening.

Uitspraak

Datum uitspraak: 8 juli 2020
20/557 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
21 januari 2020, 19/2797 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
A[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen gronden.
Bij brief van 6 februari 2020 is appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 9 maart 2020 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Appellant heeft ook die termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Voorts is in artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Awb bepaald dat het beroepschrift dient te worden ondertekend. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat geen ondertekening.
Bij brief van 6 februari 2020 is appellant in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellant heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 9 maart 2020 is aan appellant nogmaals de gelegenheid geboden het beroepschrift te ondertekenen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellant erop gewezen dat bij overschrijding van die termijn er rekening mee moet worden gehouden dat de zaak niet inhoudelijk zal worden behandeld.
Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Ten aanzien van beide hiervoor genoemde onderwerpen kan op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Nu de aangevallen uitspraak in stand blijft, dient van appellant een griffierecht van
€ 532,- te worden geheven.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 532,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van K.R. van Renswoude als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2020.
(getekend) M. Schoneveld
(getekend) K.R. van Renswoude
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.
IvR