ECLI:NL:CRVB:2020:1492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eigen werk ondanks fibromyalgie diagnose
Appellant was werkzaam als meewerkend voorman steigerbouw en meldde zich op 18 november 2014 ziek met lichamelijke klachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, die na een eerstejaarsbeoordeling werd voortgezet. Op 12 september 2016 werd appellant door een verzekeringsarts onderzocht, die hem geschikt achtte voor zijn eigen werk. Op basis hiervan beëindigde het UWV de uitkering per 19 september 2016, hetgeen door appellant werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat geen ziekte of gebrek werd vastgesteld dat belemmerde om het eigen werk te hervatten. Appellant stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat hij inmiddels de diagnose fibromyalgie had gekregen, ondersteund door medische brieven uit 2019 en 2020.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze nieuwe diagnose geen betrekking had op de relevante datum van 19 september 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had appellant onderzocht, rekening gehouden met diverse medische onderzoeken en informatie van behandelaars, en overtuigend toegelicht dat appellant medisch in staat was zijn werk te hervatten. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant medisch geschikt is voor zijn eigen werk en de ZW-uitkering terecht is beëindigd per 19 september 2016.