ECLI:NL:CRVB:2020:1491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WW-uitkering en aflossingscapaciteit ondanks financiële schuldenlast
Appellante had een WW-uitkering te veel ontvangen en moest dit bedrag terugbetalen. Het UWV stelde de aflossingscapaciteit vast op basis van de inkomsten en een beslagvrije voet, rekening houdend met woonlasten en ziektekostenpremie. Appellante verzocht om de terugbetaling over vijf jaar te spreiden vanwege haar schuldenlast.
De rechtbank wees het beroep van appellante af, omdat het UWV terecht geen rekening hield met andere concurrente schuldeisers, aangezien de vordering van het UWV preferent is. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat het UWV de aflossingscapaciteit juist heeft berekend volgens de wettelijke regels en de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen.
Hoewel appellante een moeilijke financiële situatie heeft door dubbele hypotheeklasten, leidt dit niet tot een kennelijk onredelijk resultaat dat het UWV moet afwijken van de standaardregeling. Het UWV heeft appellante zelfs enigszins tegemoetgekomen door het maandbedrag lager vast te stellen dan de berekende aflossingscapaciteit. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.