ECLI:NL:CRVB:2020:1485
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was arbeidsongeschikt verklaard met een WIA-uitkering sinds 2013 vanwege psychische klachten. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 35%, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij medische rapporten en arbeidsdeskundige beoordelingen werden overgelegd.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld. De rechtbank vond geen aanleiding om het medisch oordeel te betwijfelen, ook niet na inbreng van aanvullende medische informatie over psychische en lichamelijke klachten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat er sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel (equality of arms). De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en bevestigde dat het UWV voldoende zorgvuldig had gehandeld en dat appellante voldoende gelegenheid had gehad haar standpunt te onderbouwen.
De Raad concludeerde dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellante en dat er geen reden was voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.