ECLI:NL:CRVB:2020:1477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft meerdere keren een WIA-uitkering aangevraagd wegens knie- en psychische klachten, maar het UWV heeft deze steeds afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld op basis van rapporten van verzekeringsartsen en behandelaars.
In hoger beroep herhaalt appellant zijn klachten en stelt dat zijn beperkingen onderschat zijn, met name door borderline persoonlijkheidsproblematiek, depressie en slapeloosheid. De Raad stelt vast dat de medische informatie en rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen geen aanleiding geven tot een andere conclusie. De beperkingen zijn adequaat in kaart gebracht en de geselecteerde functies zijn medisch geschikt.
De Raad constateert een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, maar dit leidt niet tot benadeling van appellant. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant. De Raad concludeert dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering per 10 december 2014 en per einde wachttijd 7 december 2016.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.